vrijdag 18 mei 2012

Euthanasie en dementie: een duivels dilemma

Duivels dilemma
Luc Bonneux
De leermeester van mijn leermeester arriveerde als jonge arts in 1936 in Rwanda, en werd er lijfarts en vertrouweling van de oude Mwami, de Tutsi koning. Hij was toen al afgezet, omdat hij zich niet wilde bekeren tot het christendom.  Tutsi en blanke overwinnaars kwamen nochtans goed overeen. De Tutsi zijn een herdersvolk: kundig als krijger maar ook kundig als bestuurder. De Mwami vond dat de Belgen hem hadden veroordeeld tot een eerloze dood. Als hij de zware boog van de Tutsikrijgers niet langer kon spannen, werd hij ritueel gedood door zijn oudste zoon. De vader gaat in de schoot van zijn zoon liggen, die hem wurgt. Er is geen hogere eer denkbaar. Koning was van oudsher een riskant beroep met lage overlevingskans. De Mwami die een hoge leeftijd bereikte, had het lot en zijn vijanden afgehouden. Slechts het eigen bloed had zijn leven kunnen nemen.
Er zijn twee redenen om te sterven: pech en ouderdom. Wie vroeger genoeg geluk had, werd oud. In sterftetafels van vroeger, toen ook in Europa de levensverwachting kleiner was dan veertig, jaar zijn er twee pieken van hoge sterfte: tijdens de jonge kinderjaren en als zeventiger. 75 jaar is zowat onze natuurlijke vervaldatum, een leeftijd die ook vroeger werd bereikt voor wie meeval had. Dat betekent dat harde beslissingen rond het levenseinde van alle tijden zijn. Hierover ondervraagd, vertellen Pygmeeën dat dat hun grootste angst is: zo oud worden dat ze niet meer mee kunnen. Seminomaden kunnen zich geen kwetsbare ouderen in verpleeghuizen permitteren.  Wie geluk had en dus oud werd, moest daar een oplossing voor vinden. Bij de Pygmeeën verlaat de bejaarde de groep, een zekere dood in het woud tegemoet.  Het is vermoedelijk het normale levenseinde van wie vroeger gespaard bleef door het lot. In dat licht, is het einde van een Tutsi heerser in de handen van zijn zoon nobel.  
Die sterftepiek op hogere leeftij is een flinke tien jaren opgeschoven, tot dicht bij de negentig jaar. We leven voorbij de vervaldatum van ons kwetsbare brein.  We verliezen zeggenschap over onszelf, worden ontluisterde poppen in de handen van anderen overgeleverd aan een grillige en meedogenloze aftakeling. We doen heus ons beste best om het demente mensen nog naar de zin te maken.  Maar vraag aan verpleeghuisartsen of ze, hoogbejaard en met een falend brein, willen worden opgenomen in de eigen psychogeriatrie.  Wie heeft er zeggenschap over mij als ik dement ben? Wie ik ben geweest is een vergeten verleden. Maar heeft een ander meer zeggenschap dan wie ik was? In een gedachtenexperiment uit de humanistische ethiek word ik één dag hersteld tot wie ik ben geweest en geconfronteerd met wie ik ben geworden. De beslissing die ik dan neem, is de ethisch juiste. Ook als ik die de dag erna weer ben vergeten. Want ook met een falend brein blijft het mijn levensloop en mijn levenslot. Ik weet het niet heel zeker.  Maar ik denk dat als we een dergelijk magisch experiment van kortdurende heropstanding zouden kunnen uitvoeren, het rustig zou worden in onze psychogeriatrie. De personeelstekorten zouden al even magisch worden opgeheven.
Het is duivels. Het wel doden van iemand die dat niet wil omdat hij vergeten is dat hij dit wil, is moord. Het niet doden van iemand die dat wel wil maar zelf niet kan, is ethisch even verwerpelijk. Het uit het leven stappen terwijl je nog zelf kan beslissen, is zonde: je laat de laatste spranken van dit wonderlijke leven staan.  Die uitstap uitstellen is levensgevaarlijk, want aftakeling is grillig en onvoorspelbaar. De val slaat dicht voor je het weet.  Sta mij dus toe de trotse dood van een oude krijger door de hand van zijn kinderen te benijden. De Mwami had gelijk: er is geen waardiger einde denkbaar.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen